Hypotheek bij overlijden

Bij het overlijden van een dierbare erft u misschien een huis. Een huis kan sentimentele waarde hebben. Het is misschien het huis waarin u bent opgegroeid. De keuze is aan u of u het huis wil behouden of verkopen. Bij een overlijden komt er veel op u af. Zo ook de administratieve kant. Zo dient u een verklaring erfrecht via de banken in Nederland te regelen en kan er ook sprake zijn van een overzetting van hypotheek. Op een huis kan hypotheek rusten. Wanneer u een huis met hypotheek erft, erft u geen extra aftrekpost. U betaalt dan alleen de brutohypotheeklasten en het huis valt in box 3. Dit verandert wanneer u besluit er zelf in te gaan wonen. Dan kunt u hypotheekrenteaftrek krijgen. Wilt u het huis verkopen, dan heeft u een aantal opties.

Wanneer u het huis met hypotheek (na overlijden) verkoopt, kunt u met de opbrengst (misschien) u huis aflossen. De huidige tijden voor verkoop van huizen is moeilijk, maar het hangt ook sterk af naar de gemeente en watvoor soort huis het betreft. Bij verkoop kunt u de hypotheek van de overledene aflossen en houdt u misschien nog wat geld over. Dit is overwaarde. De overwaarde van het huis kunt u benutten.

De meeste hypotheken kunt u boetevrij aflossen na een overlijden. Zijn die middelen er niet, dan kunt u kijken of het loont om de renteperiode te veranderen. De hypotheekverstrekker kan daarvoor wel administratiekosten in rekening brengen.

Tot slot moet u niet vergeten dat u succesierechten over de waarde van het huis moet betalen. Dit is ongeacht het moment waarop en de prijs waarvoor u het verkoopt.

Banken in Nederland verplichten woonverzekering

De banken in Nederland eisen vaak een opstalverzekering. Dit is geen rare zet van de banken, gezien een huis wordt gediend als onderpand bij een afsluiting van een hypotheek. Er zijn verschillende hypotheekvormen, maar bij de meesten zit een verzekering wel vast als een veriste. De banken willen garanties. Zij willen zeker zijn dat zij de waarde van een huis eventueel kunnen terugkrijgen. Ook verkopen veel hypotheekadviseurs vaak verzekeringen.

De opstalverzekering is één van de bekende vormen van een woonverzekering. Een vernielde vloer door een defecte wasmachine, een uitgebrande keuken na een kerstdiner of een boom op het dak bij een flinke storm. Een opstalverzekering beschermt u tegen dit soort risico’s. De schade wordt dan in de meeste gevallen betaald door een opstalverzekeraar. Vanuitgaand dat een huiseigenaar verzekerd is natuurlijk. Gelukkig is dat meestal het geval, want een opstalverzekering is verplicht bij het afsluiten van een hypotheek.

Een opstalverzekering, een woonverzekering, dekt de schade aan uw woonhuis. Ook de schade voor onroerende goederen die daarbij horen, zoals een schuurtje of schutting vallen onder de dekking.

Een kersverse eigenaar van een nieuw woning ontvangt vaak een offerte voor een opstalverzekering onder zijn neus. Het is raadzaam om niet zomaar een handtekening hieronder te zetten. Veel banken in Nederland stellen een woonverzekering als vereiste, maar het hoeft niet persé die verzekering te zijn die wordt aangeboden. De premies verschillen flink tussen de verzekeraars. Dat geldt ook voor de voorwaarden. Bekijk goed naar wat precies wordt gedekt tegen welke premie. En geniet van uw niewe woning.

 

Branchevervanging bij banken in Nederland

Sinds de jaren ’50 zijn de verschillende soorten banken in Nederland steeds meer op elkaar gaan lijken. Men duidt dit proces wel aan met de term branchevervaging. Zo waren de algemene banken vlak na de oorlog nauwelijks betrokken bij het aantrekken van spaargeld. Deze banken verstrekten korte kredieten aan bedrijven en financierden het een en andere met deposito’s. Het spaargeld was het werkterrein van de spaarbanken en de landbouwkredietinstellingen (de voorlopers van de Rabobanken). Door de branchevervaging is dit beeld totaal veranderd. In 1986 hadden de algemene banken in Nederland niet minder dan 28% van de spaarmarkt in handen. Het aandeel van de landbouwkredietinstellingen is steeds vrij constant gebleven (40%). Het gezamenlijke aandeel van de algemene spaarbanken en de Rijkspostspaarbank (in 1986 opgegaan in de Postbank en nu ING) is sinds 1956, toen het nog zo’n 60% bedroeg, gehalveerd.

Deze ontwikkeling hangt samen met verschuivingen aan de actiefzijde van de balans: de algemene banken zijn het terrein van de middellange kredietverlening steeds intensiever gaan bewerken. Voor een deel van het spaargeld, de spaarvormen met een vaste looptijd en die met een opzegtermijn, spreekt het voor zich, dat deze zich lenen voor middellange kredietverlening. De looptijd ligt goeddeels vast en de rente is gefixeerd (spaarvomen met een vaste looptijd) of reageert traag en onvolledig op de ontwikkelingen op de kapitaalmarkt (opzegtermijn). Ook de direct opvraagbare spaarvormen zijn een uitstekende voeding voor middellange uizettingen, ondanks het in theorie tamelijk liquide karakter van deze vormen. Dit komt omdat bij deze spaargelden, nog meer dan bij deposito’s, geldt dat een harde kern voortdurend bij de banken in Nederland gestald blijven. Bankiers weten uit ervaring hoe groot deze kern ongeveer is. Bovendien volgt de rentevergoeding op deze spaarvormen die op de kapitaalmarkt slechts op afstand. Derhalve leent een groot deel van het traditionele spaargeld zich zowel qua rente- als looptijdrisico uitstekend voor middellange kredietverlening.

Spaargeld bij banken in Nederland

Voor sparen bij banken in Nederland kunt u verschillende spaarmotieven hebben:

  • om toekomstige uitgaven mogelijk te maken (vakantie, auto e.d.);
  • om een verwachte inkomstenteruggang in de toekomst te compenseren (oudedagvoorziening);
  • als buffer voor onvoorziene omstandigheden (appeltje voor de dorst) ;

Het aanbod van spaarvormen door de banken in Nederland speelt in op deze motieven. Enerzijds worden de spaarvormen aangeboden waarbij de ingelegde middelen vrijwel steeds, al dan niet tegen een boete, kunnen worden opgevraagd. Anderzijds bestaan er spaarrekeningen waarbij men een bepaalde tijd niet over zijn spaargeld kan beschikken.

Direct opvraagbare spaarvormen waren oorspronkelijk sterk in trek bij de kleine spaarder, die geen grote bedragen opzij kon leggen en bovendien bij onverwachte uitgaven direct over zijn spaargeld wilde beschikken. Vanouds bekend is het spaarboekje waarmee de consument naar banken in Nederland kwam om geld te storten, op te vragen of de rentebijschrijving te laten plaatsvinden. Een spaarbankboekje is er niet echt meer. Tegenwoordig is alles gedigitaliseerd.

Nu heb je spaarrekeningen waarbij er een combinatie is van een rentevergoeding en een boete bij een te snelle opname: hoe hoger de ene, des te hoger is ook de andere.

Spaarvormen met opzegtermijn en met een vaste looptijd lijken sterk op elkaar. In beide gevallen weet de spaarder dat hij een aantal maanden of jaren niet over zijn geld kan beschikken. Dit maakte deze vormen bij uitstek geschikt voor het zogenoemde doelsparen: bijvoorbeeld sparen voor een nieuwe auto of als oudedagvoorziening. Het verschil tussen de twee soorten behelst twee punten: bij een opzegtermijn vindt terugbetaling na een vooraf afgesproken aantal maanden nadat de consument de toekomstige dispositie heeft gemeld, plaats. Bij vormen met een vaste looptijd komt het geld een afgesproken aantal maanden na storting vrij. Bovendien kan bij de laatstgenoemde soort de rente niet tussentijds gewijzigd worden.